Zoals binnen een week de temperatuur op de digitale thermometer met tien graden is aangetikt, zijn er in diezelfde tijd uit het niets toeristen verschenen. Ze zijn overal: een groepje Duitsers in de supermarkt die zich afvragen of Unicum nu echt naar Jägermeister smaakt, Italianen die de straat onveilig maken met Segways, Britten die hun vrijgezellenstatus vieren in een pub en Nederlanders die blij worden van de lage prijzen in restaurants. Een plek waar je ze niet snel zult tegenkomen, is op het terras. Die zijn er in Boedapest namelijk niet.

Nu is dat ook weer te kort door de bocht. Er zijn wel terrassen, maar de typische terrascultuur uit de Lage Landen – alle tafels naar buiten zodra ook maar de suggestie van zomerzon zich aandient – ontbreekt. ‘Ik mis de terrassen’, verzuchtte een Vlaamse Erasmusgenote een keer. ‘In Mechelen worden bij de eerste streep zonlicht de tafels gelijk buiten gezet, maar hier…’

Eén terras dat al vanaf februari open is, is dat van de Coffee Company naast de geesteswetenschappengebouw van de Eötvös Loránd-universiteit. De felle zon geeft het terras iets uitnodigends.

Foto 04-04-17 14 10 19
Niet bepaald gezellig (het hotel dus)

 

Ik laat drie ingestudeerde Hongaarse woorden los op de medewerkster – egy tea kérek – en ga zitten. Het is misschien niet het meest pittoreske terras, want middenin downtown Boedapest, maar daarom wel perfect om mensen te kijken. Een toeristenkoppel – zij met grote zwarte zonnebril en ruimvallend wit shirt, hij met een gescheurde lichtblauwe jeans en New York Yankees-pet – slentert langzaam voorbij. Een zwerver met een kaneelbruin, gegroefd gezicht sleept een paar meter achter hen aan. Een mevrouw in bordeauxrood mantelpak, bloemetjesblouse en bril met gouden montuur trippelt hem tegemoet. Een jongen met een skateboard in zijn rugzak botst bijna tegen haar aan terwijl zijn aandacht volledig wordt opgeëist door het scherm van zijn mobiele telefoon. De uiteinden van zijn zwarte, wijduitlopende broekspijpen met grote zakken zijn versleten door het geschraap over de straat.

Een divers gezelschap dus, maar tegen een weinig stijlvolle achtergrond. Recht tegenover het terras is een McDonald’s. Ertussen loopt een weg van zes autobanen dik, een tramrails in het midden. Het donkergrijze Astoriahotel is nu ook niet bepaald het toonbeeld van frivoliteit. Het rek met door het stadsbestuur beschikbaar gestelde huurfietsen – zogeheten Bubi-bikes – staat vol, want hier in de binnenstad maken auto’s de dienst uit. Hoewel iemand heeft geprobeerd de straat op te leuken door de stukken tussen de barsten in het asfalt te verven in rood, geel of blauw, is de weg nog steeds gebarsten.

‘Er zijn te weinig bankjes in Boedapest’, zei een Hongaarse vriend eens. ‘De mensen in Boedapest zijn niet gelukkig, omdat de stad niet schoon is’, denkt de eigenaresse van de winkel met spirituele cadeauartikelen twee straten verderop. Ze hebben een punt, ook al is Boedapest er ook voor hen. Een miljoenenstad sluit niemand uit. Maar als de massa’s de individuen verdringen, betekent dat niet dat dat per definitie beter is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s