1907 woorden - 7,5 minuut leestijd

De jongen hief zijn schep en smeet het zand over zijn schouder. Zweet drupte in zijn ogen. Iedere keer dat hij de schep optilde, spanden spieren zich onder een dunne, roodverbrande huid. Katrollen en hefbomen van vlees en bloed werkten samen als de onderdelen van een Zwitsers uurwerk. De magere jongen was zich hier niet van bewust. Verbeten groef hij door.

 

Joshua werd wakker in zijn kuil en het eerste wat hij voelde, was het ruwe van de zandkorreltjes die tegen zijn tong schuurden. Zijn keel was droog. Tijd om aan het werk te gaan. Met één hand op zijn stijve onderrug wankelde hij naar de spade die een paar meter voor hem omhoog stak uit een grote hoop zand.  Ik lijk prins Arthur wel, dacht hij, ietwat zelfvoldaan, terwijl hij de schep uit de hoop trok. Hij keek omlaag. Nog een paar meter. De jongen liet zich in de kuil zakken, zijn voeten wegglijdend in het donkerbruine zand.  Eenmaal beneden begon hij te scheppen.

Tegen het middaguur nam hij een pauze. De zon stak hem venijnig en zijn armen waren zwaar. Joshua liet zich tegen de rand van de kuil zakken, daar waar een schaduw werd geworpen tegen de wand. Met zijn schep rustend op één stakig onderbeen, en zijn hoofd tegen de zanderige muur achter hem, sloot hij zijn ogen.

 

‘Wat doe je daar?’ hoorde hij boven hem. Joshua opende zijn ogen, maar kon niet zien wie tegen hem praatte. De zon verblindde zijn zicht zoals een lamp tijdens politieverhoren. De kleine gestalte liet zich zakken in de kuil. ‘Ga weg!’, wilde de jongen roepen, maar er kwam niets dan gereutel uit zijn keel. De gestalte kwam op hem af. Deze was een kind, een jongen van een jaar of zestien, zag Joshua. ‘Ik heb water meegenomen. Wil je ook wat?’ Uit de canvas tas die het joch om zijn schouder droeg haalde hij een plastic fles en hield hem aan Joshua voor. Hebberig greep hij de fles en dronk hem halfleeg.

‘Hoe heet je?’, vroeg het kind.

‘Joshua’, antwoordde de jongen, met een nog steeds haperende stem.

‘Ik heet Pelle’, antwoordde het joch. ‘Leuk je te ontmoeten.’ Toen hij lachte spleet zijn bovenlip uiteen. Een hazenlip.

 

Verzuring sloeg in toen Joshua met zijn schep op iets hards beukte. Een steen, een flink grote ook, belemmerde voortgang van het werk. Joshua plantte zijn schep naast zich in het zand en begon met zijn handen de steen uit te graven. Het was een grijs stuk rots met kuiltjes erin. Terwijl hij groef veroorzaakten scherpe stukjes sneetjes in zijn hand. Vloekend zette Joshua door.

 

‘Dit is mijn huis’, zei Pelle eenvoudig. Joshua keek om zich heen. In het midden van het bedompte hok lag een matras met vuile dekens erop. Voor een raam van plexiglas stond een rode bureaustoel met gescheurde zitting. Aan de rand van de kamer was een soort vuurplaats, een berg wegwerpbarbecues ernaast. Maar wat nog het meest in het oog sprong was de spectaculaire hoeveelheid kurken, flessendoppen, visnetten, gekleurd kinderspeelgoed en allerhande snuisterijen waarvan de oorsprong niet direct duidelijk was. De voorwerpen waren op kleur en vorm gesorteerd en lagen her en der verspreid door het vertrek.

‘Wat doe je hier eigenlijk?’, zei Pelle.

Dat vroeg ik me ook al af, dacht Joshua. ‘Dat had je gezien toch’, antwoordde hij. ‘Ik groef een kuil.’

‘Een kuil?’

‘Een kuil, ja, om in te zitten.’

Peinzend staarde Pelle hem aan. ‘Maar waarom?’

‘Daarom.’

Het viel even stil.

‘Wat doe jij eigenlijk hier?’, vroeg Joshua.

Pelles peinzende blik verdween. ‘Ik woon hier nog niet zo lang. Drie maanden, denk ik. Ik verzamel het afval en probeer er iets van te maken. Ik verkoop het aan toeristen, of aan de mensen in het dorp. Daar leef ik van. Eerst woonde ik in het dorp.’ Pelle keek Joshua onbevangen aan.

Joshua weifelde. Zou hij Pelle in vertrouwen nemen? ‘Ik kom ook uit het dorp’, zei hij ten slotte. ‘Er was niet zoveel geld thuis. Mijn vader is automonteur, maar hij hield nogal van de fles. Ik ben weggelopen toen hij weer dronken was.’

‘Oh’, zei Pelle. ‘Nou ja, nu ben je hier. Wil je ook thee?’

 

Joshua’s handen schuurden langs de steen, en kregen er zo nog een paar schrammen bij. Geërgerd veegde hij ze af aan de korte, donkergrijze spijkerbroek. Hij greep de schep, en probeerde de steen los te wrikken uit het zand. Joshua brak een nagel. De tranen sprongen hem in de ogen, en met een van pijn verwrongen gezicht hield hij zijn hand tussen zijn benen. Waarom gebeuren dit soort dingen altijd op het verkeerde moment? Het zou hem niet eens zoveel kunnen schelen, als niet… Hij stopte met wringen. Ik kijk niet naar boven, dacht hij. De zwaarste klus zou niet het graven zijn.

 

Klossend in versleten bergschoenen liep Pelle naar de klaptafel en schudde zijn canvas tas leeg. Vijf stukken zeewier, twee kapotte tennisballen en een leeg pakje sigaretten werden de tafel op geworpen. Joshua keek toe hoe Pelle de stukjes in elkaar probeerde te passen als een legpuzzel. ‘Kan ik helpen?’ vroeg Joshua.

‘Misschien’, luidde het antwoord. Joshua’s maag rommelde, maar Pelle vroeg niet of hij iets wou eten.

‘Kan ik wat eten pakken?’ vroeg hij.

Verward keek Pelle op. ‘Ik hoop het. Het komt niet naar jou toe.’ Hij grinnikte.

 Joshua stond op en liep naar de houten kratten waar eten in lag. Hij nam wat brood en een appel. Naast de krat stond een bezem met een gebroken steel. Met een appel in de hand begon Joshua de vloer te vegen. Aan de tafel werkte Pelle ondertussen zwijgend door.

‘Wat wil je eten?’ vroeg Joshua, aan het eind van de dag.

‘Weet ik niet’, antwoordde Pelle. ‘Wat is er in huis?’

Joshua keek in een krat. Een zak crackers van de goedkoopste soort en een waterige bos wortels zagen er weinig uitnodigend uit. Wel vond hij een paar aardappels en een halve doos eieren. ‘Goed. Ik ga wel koken. Zorg jij morgen dan voor boodschappen?’

Pelle haalde zijn schouders op. ‘Prima.’

Koken op een wegwerpbarbecue bleek eenvoudiger dan gedacht, en binnen een halfuur had Joshua de maaltijd bereid. Zwijgend aten hij en Pelle van het geïmproviseerde ééngangsdiner. ‘Lekker’, zei Pelle. ‘Wil je morgenavond weer koken?’

‘Goed hoor. Dan maak ik een lijstje. Ik heb een paar goede recepten, maar ik weet niet of je alles kunt maken op een wegwerpbarbecue…’

Pelle keek Joshua niet-begrijpend aan. ‘Denk je dat je het dan op een andere manier kunt doen? Er is hier geen elektriciteit.’

‘Oh.’ Joshua’s antwoord viel als een baksteen op de avond. ‘Dan doen we het zonder.’

Even bleef het stil.

‘Waarom doe je dit eigenlijk voor me?’, vroeg Joshua. De vraag beroerde een plek waar tot dan toe zorgvuldig omheen was geborduurd.

‘Wat?’ vroeg Pelle.

‘Nou, dit. Je laat me in je huis. Ik mag eten van jouw eten en slapen in jouw bed.’

Pelle glimlachte kort. Als twee gordijntjes weken de helften van zijn bovenlip uiteen. ‘Gewoon. Ik houd van gezelligheid.’ Zijn ogen lachten niet mee, zag Joshua.

 

Wrikkend en snikkend lukte het Joshua eindelijk om de steen los te krijgen. Hij wiste het zweet van zijn voorhoofd, greep toen de steen en wierp hem over de rand. Buiten adem wankelde hij. Het karwei was voltooid. Nu stond het zwaarste deel hem nog te wachten. Joshua sloot even zijn ogen. Was dit maar nooit gebeurd, dacht hij. Was ik je maar nooit tegengekomen. Was jij mij maar nooit tegengekomen, die godvergeten middag op dit godvergeten strand waar nooit iemand komt. Niemand, behalve jij. Joshua hief zijn hoofd weer op. Met knokige vingers streek hij zijn haar glad.

 

‘Alle bewegende dingen hebben emotie’, zei Pelle. ‘De zee dus ook.’

Het was middag, en de jongens hadden net geluncht. Met uitgestrekte benen zaten ze voor het huis. Het was eb. Met kalme slagen spoelde het water aan op het strand. ‘Dit is een blije zee.’

‘Oh’, zei Joshua.

‘Zie je dat schip?’, vroeg Pelle.

‘Nee?’ antwoordde Joshua.

‘Daar. Op elf uur.’ Pelle wees in de richting die hij bedoelde. Het was een platte boot, een transportschip waarschijnlijk. Tegen de achtergrond van de helderblauwe lucht was het nauwelijks zichtbaar. Van deze afstand leek het schip meer een op schaduw dan een kolos van metaal, hout en kunststof.

‘Ik zie hem wel vaker op een dag als deze. Twee of drie keer, soms vier. Eén keer zag ik hem vijf keer. Toen was het heel goed weer.’

‘Oh’, zei Joshua weer.

‘Het gekke is’, ging Pelle verder, ‘soms komt hij dichterbij. Hoe vaker ik hem voorbij zie komen, hoe dichterbij hij komt. Maar nooit is de afstand zo klein dat ik kan zien wat voor schip het is.’ Fronsend tuurde hij naar de horizon.

‘Is er eigenlijk ooit wel eens een schip dichtbij genoeWaterlandersg gekomen?’, vroeg Joshua.

Pelle keek Joshua aan. Ineens zag hij er intens droevig uit.

‘Nee’, antwoordde Pelle. ‘Nooit.’ Een korte windvlaag woei zijn donkerblonde haar uiteen. Joshua kreeg de neiging om over Pelle’s bol te aaien, maar hield zich in.

‘Heeft iemand je wel eens aangeraakt?’ vroeg hij in een opwelling. Onmiddellijk had Joshua spijt van de vraag. Pelle leek even verbouwereerd, maar herpakte zich.

‘Van voor of van achter?’ Grijnzend keek hij Joshua aan, die niet wist hoe hij het had. Toen, serieus: ‘Nee, ik weet wat je bedoelt. Ik heb geen bezwaar. Eerder het tegenovergestelde.’ Blozend keek hij naar de grond. Joshua was met stomheid geslagen. Net toen hij besloten had om iets dichter naar Pelle toe te schuiven, merkte hij iets anders op. Pelle was magerder geworden. De donkere plekken onder zijn ogen hadden in de korte periode dat hij en Joshua samenwoonden een grauwe kleur gekregen.

‘Voel je je eigenlijk wel goed?’

‘Natuurlijk. Wat zou er moeten zijn dan?’

‘Nee, niets’, antwoordde Joshua. Hij besloot niet door te vragen. Er was misschien al te veel gezegd.

Die avond schoof Pelle het bord snelkookrijst van zich af. ‘Ik heb geen honger. Eet jij maar door. Ik ga slapen.’

‘Zeker weten?’, vroeg Joshua.

‘Ja, zeker weten’, zei Pelle. ‘Ik ben gewoon moe.’ Hij strompelde naar het matras. Joshua stond op. ‘Ik help je wel.’

‘Niet nodig. Ik kan het zelf’, zei de kleine jongen kortaf. Joshua bleef staan.

 

Op zijn tenen klom Joshua uit het gat. Hij liep naar de opgerolde deken die hij naast de kuil had gelegd. Voorzichtig tilde hij het bundeltje op. Alles kon je zelf, dacht hij nog. Doodgaan alleen niet.

Joshua daalde af in de kuil en legde de bundel neer. Zijn zwarte vingers woelden de deken los. Pelle keek recht omhoog, en voor de laatste keer viel het zonlicht in zijn heldergroene irissen. Joshua look de oogleden langzaam toe.

 

‘De boot!’ Pelle schreeuwde het uit. Naast hem zat Joshua, op zijn knieën, een plastic kan water in de hand. Zijn andere hand lag op Pelle’s voorhoofd, in een poging hem tot kalmte te manen.

‘Rustig Pelle, je ijlt’, probeerde Joshua nog.

‘Maar… ik zie de boot! Hij komt dichterbij!’ Pelle was onvermurwbaar. Een uur geleden hadden hij en Joshua nog een normaal gesprek gevoerd. Hoe lang was je al ziek, had Joshua gevraagd. Elf maanden, had Pelle geantwoord.

 ‘Het spijt me, Joshua’, voegde hij eraan toe. Schuldbewust keek hij Joshua aan. Deze zweeg, en zag hoe groen Pelle’s grote ogen waren, net planeten, met daaromheen zijn zomersproeten als sterren. Joshua schudde zijn hoofd.

 ‘Je wilde niet alleen zijn.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s