Jaromir Mulders en het hart van de machine

Jaromir Mulders en het hart van de machine

De machine kreunt, geeuwt en zucht. Jaromir Mulders draait aan de knoppen van zijn modulaire synthesizer. Het grote grijze blok voor hem op tafel start langzaam op. Door de witte, oranje en blauwe kabeltjes worden onhoorbare signalen doorgegeven van de toongenererende cirquencer, het apparaat dat rechts van de synthesizer op tafel staat. Door aan de oscillator te draaien laat Jaromir de machine een toontje hoger zingen. Elektriciteit wordt omgezet in trillingen worden omgezet in bewegingen op het trommelvlies van de kleine groep zwijgende mensen in de zaal.

Een andere knop. Een nieuw filter. Jaromir laat de lijn langer worden, de golven worden hoger, de dalen worden dieper. Hij schuift de parabolen in elkaar, rekt ze weer uit. De toon is zacht en rond. Jaromir fronst: te veel filters. Een knop gaat naar links. De vloeiende lijn zakt omlaag in een scherpe punt, de toppen van de heuvels worden hoekig. De afstand tussen de piek en het dal wordt groter. Het brommende geluid van de machine wordt een schellere, rijkere klank, waarin verschillende toonhoogtes steeds beter waarneembaar worden, als pixels op een foto die steeds beter zichtbaar zijn naarmate je verder inzoomt. De synthesizer is geen metalen blok meer met koperen draadjes en plastic omhulsel aan de binnenkant, geen Oostenblokflat met schakelaars en poorten als raampjes, geen samenhangsel van weerstanden, transistors, cellen, inventors. De machine is één groot kloppend hart, met de snoeren die pulsen doorgeven van de ene naar de andere kamer. Jaromirs mondhoeken bewegen omhoog. De mensen in de kamer knikken mee op de maat. Dit ritme is voor iedereen herkenbaar.

IMG_1105(2)

Beatings

Beatings

Szia, the right way kérek?

Bocsánat, nem magyarul beszélek

Besides, my head is spinning like a kürtőskalács

Still I try to fit my thoughts in words like meat in kolbász

IMG_6125

But the right way I don’t know

Lay your head to the street and listen

You hear a heart beating

Nem tudom tudom tudom

 

Értem your problem

You can be lost in huszonhárom districts

Between Basilica and Parliament or anti-EU politics

Tizenegy hidak between Buda and Pest

Tizenegy hidak between East and West

It takes quite some nagy lépes

But then you shouldn’t take any stairs

Or you go the same way Gellért did

So just go that way and take another bridge

 

Don’t go to people and ask ‘hogy vagy’, all you get is fáradtFullSizeRender - kopie

So we cry and drink some pálinkát

Get lost and found in a romkert

Do as Alice did when she wondered

How she became a midget after one drink

Why everybody is mad here

Why one pays one euro fifty for half a liter of Soproni beer

Why that same euro is worth three hundred forint

So you can have a lot of késpénsz but aren’t actually rich

Nem tudom tudom tudom

 

IMG_6082

 

The people on the street, they don’t really speak

But one time someone asked me ‘ki vagy?’

All I could say was

Jó napot kivánok

Monica, diák és Holland vagyok

But I can’t explain myself any more

I think I am different than I was the night before

I can tell you hogy hívnak

That I want to see it all before az ajtók zárodnak

I’m huszon kettö Jahren, sometimes I do hibás

I don’t know where is my wégallomás

I close my ears and listen to my heart beat going

Nem tudom tudom tudom

Streetart

You’re only human – life in the big city

You’re only human – life in the big city

Just like in a week’s time the temperature on the digital thermometer has added up ten degrees, at the same time the tourists appeared out of nowhere. They are everywhere: a small group of Germans in the supermarket wondering if Unicum really tastes like Jägermeister, Italians making the streets unsafe with Segways, Brittains celebrating their single lives in a pub and Dutch being delighted by the low prices in restaurants. A place where they are hard to find is on the terrace. Namely, there are none in Budapest.

Now that is jumping to conclusions. There are some terraces, but the terrace culture of the Low Countries –taking outside all the tables when there is just a hint of summer sun – is not there. ‘I miss the terraces’, a Belgian fellow Erasmus student once sighed. ‘In Mechelen, the tables are moved outside when the first ray of sunlight strikes, but here…’

A terrace that has been  open since February, is that of the Coffee Company next to the faculty of humanities of the Eötvös Loránd University. The sharp sun lightens up the place, giving it something inviting.

I throw out three rehearsed words of Hungarian – egy tea kerek – and take a seat. It

Foto 04-04-17 14 10 19
Not exactly a homey sight

might be not the most picturesque terrace, since it’s in the middle of downtown Budapest, but that makes it perfect for people watching. A tourist couple – she wears big black sunglasses and a loose-fitting white shirt, him dressed in ripped light blue jeans and a New York Yankees cap – slowly stroll past. A homeless person with a cinnamon brown, furrowed face follows, dragging one of his legs. An older lady in a red suit, blouse of flowers and with gold-trimmed glasses patters ahead of him. A guy carrying a skateboard in his backpack almost bumps into her as his attention is soaked up by his mobile phone screen. The ends of his black, big-pocketed flared pants are worn from being scraped by the street.

A varied crowd it is, but against a not so stylish background. Straight across the terrace a McDonald’s is situated, a street of six motorways and one tram line in between. The dark grey Astoria hotel is not exactly the model of frivolity. The bike stand, meant for by the city council provided rental bikes – so-called Bubi Bikes – is full, because in the inner city cars run the show. Despite someone’s effort to make the sidewalk look more pretty by painting the surfaces between the cracks in blue, red or yellow, the sidewalk remains cracked.

‘There are not enough benches in Budapest’, a Hungarian fellow student once said. ‘The people of Budapest are not happy, because the city is not clean’, the owner of the spiritually themed gift shop thinks. They have got a point, even though Budapest is there for them as well. A city of millions shuts out no one. But when masses are pushing out individuals, it doesn’t necessarily mean that it’s better.

Je bent maar een mens – leven in een grote stad

Je bent maar een mens – leven in een grote stad

Zoals binnen een week de temperatuur op de digitale thermometer met tien graden is aangetikt, zijn er in diezelfde tijd uit het niets toeristen verschenen. Ze zijn overal: een groepje Duitsers in de supermarkt die zich afvragen of Unicum nu echt naar Jägermeister smaakt, Italianen die de straat onveilig maken met Segways, Britten die hun vrijgezellenstatus vieren in een pub en Nederlanders die blij worden van de lage prijzen in restaurants. Een plek waar je ze niet snel zult tegenkomen, is op het terras. Die zijn er in Boedapest namelijk niet.

Nu is dat ook weer te kort door de bocht. Er zijn wel terrassen, maar de typische terrascultuur uit de Lage Landen – alle tafels naar buiten zodra ook maar de suggestie van zomerzon zich aandient – ontbreekt. ‘Ik mis de terrassen’, verzuchtte een Vlaamse Erasmusgenote een keer. ‘In Mechelen worden bij de eerste streep zonlicht de tafels gelijk buiten gezet, maar hier…’

Eén terras dat al vanaf februari open is, is dat van de Coffee Company naast de geesteswetenschappengebouw van de Eötvös Loránd-universiteit. De felle zon geeft het terras iets uitnodigends.

Foto 04-04-17 14 10 19
Niet bepaald gezellig (het hotel dus)

 

Ik laat drie ingestudeerde Hongaarse woorden los op de medewerkster – egy tea kérek – en ga zitten. Het is misschien niet het meest pittoreske terras, want middenin downtown Boedapest, maar daarom wel perfect om mensen te kijken. Een toeristenkoppel – zij met grote zwarte zonnebril en ruimvallend wit shirt, hij met een gescheurde lichtblauwe jeans en New York Yankees-pet – slentert langzaam voorbij. Een zwerver met een kaneelbruin, gegroefd gezicht sleept een paar meter achter hen aan. Een mevrouw in bordeauxrood mantelpak, bloemetjesblouse en bril met gouden montuur trippelt hem tegemoet. Een jongen met een skateboard in zijn rugzak botst bijna tegen haar aan terwijl zijn aandacht volledig wordt opgeëist door het scherm van zijn mobiele telefoon. De uiteinden van zijn zwarte, wijduitlopende broekspijpen met grote zakken zijn versleten door het geschraap over de straat.

Een divers gezelschap dus, maar tegen een weinig stijlvolle achtergrond. Recht tegenover het terras is een McDonald’s. Ertussen loopt een weg van zes autobanen dik, een tramrails in het midden. Het donkergrijze Astoriahotel is nu ook niet bepaald het toonbeeld van frivoliteit. Het rek met door het stadsbestuur beschikbaar gestelde huurfietsen – zogeheten Bubi-bikes – staat vol, want hier in de binnenstad maken auto’s de dienst uit. Hoewel iemand heeft geprobeerd de straat op te leuken door de stukken tussen de barsten in het asfalt te verven in rood, geel of blauw, is de weg nog steeds gebarsten.

‘Er zijn te weinig bankjes in Boedapest’, zei een Hongaarse vriend eens. ‘De mensen in Boedapest zijn niet gelukkig, omdat de stad niet schoon is’, denkt de eigenaresse van de winkel met spirituele cadeauartikelen twee straten verderop. Ze hebben een punt, ook al is Boedapest er ook voor hen. Een miljoenenstad sluit niemand uit. Maar als de massa’s de individuen verdringen, betekent dat niet dat dat per definitie beter is.

Week 5 – Attempts to learning Hungarian

Week 5 – Attempts to learning Hungarian

It’s not easy to learn a language that is not a sibling of your native tongue within the family of European languages. Learning a language which is a nephew or niece is even harder. Learning a language that is married to the far grandson of a great grandmother who died before you ever spoke with her is usually for geeks only. And then you can make an attempt to learning Hungarian.

Now Hungarian is not related to languages springing off the Italo-Keltic, Balto-Slavic, German, Iranian or whatever branch grows from the tree trunk of all European languages: Proto-Indo-European. To feel like I am taking part in Hungarian society I still want to try and learn. Armed with a travel dictionary Dutch-Hungarian and goodwill I take the tram to Buda, the more quiet side of town.

UI06VLs
Family tree of European languages by the Finnish illustrator Minna Sundberg. The smaller tree on the right represents Uralic languages, to which Hungarian belongs.
The first man I accost is probably father. He pushes a pram and wears a wind cheater. For some reason I assume at that moment that all men with prams and wind cheaters are kind and capable people.

‘Bocsánat, kérdezhetek valamiet?’

(Meaning: excuse me, can I ask you something? Anyway, this sentence looks without a doubt more Hungarian than it was pronounced.)

Maybe this man is not so capable as his pram suggests. In his pale face his bulging eyes roll in their sockets.

‘No.’

‘Okay’, I say. To soften the rejection I just smile a little.

Next. Two ladies are walking towards me, the one a little older than the other. The one on the right has fluffy, auburn hair, the dark brown of the left one is streaked with grey. Ask now, don’t ask now. Come on.

‘Bocsánat, kérdezhetek valamiet?’ I’m using my flourishing opening sentence.

The younger woman stops talking.

‘Keshe?’, she asks.

I recognise that. During talks for practicing I had earlier I already created many awkward situations by not understanding this word. Now I learnt it means something like ‘yes?’.

‘Szupermarket kereshek’, I say.

‘Ah, you’re looking for a supermarket? Come with me, it’s only five minutes.’

Thus, five clumsy minutes go by whilst me and the two lady friends are silently walking to the supermarket. The woman holds the door open for me: she needs to go inside herself. To strike myself a pose I buy something I don’t really need before walking outside.

Attempt three. On a street corner in front of a park I hang around a little until I spot a decent person to speak up to. Again, an older lady. She looks nice.

‘Jó napot, szupermarket keresek.’

The woman looks at me surprised.

‘Du suchst ein supermarket? Das ist dort.’ She points to the left.

‘Danke schön’, I stammer.*

We understood each other still.

 

(*Translated from German: you’re looking for a supermarket? It’s over there. I replied: thanks a lot.)

Week 5 – Pogingen tot het leren van Hongaars

Week 5 – Pogingen tot het leren van Hongaars

Het is niet makkelijk om een taal te leren die geen zusje of broertje is van jouw taal op de stamboom van de Europese taalfamilie. Een taal leren die een neefje of nichtje is, is nog ietsje moeilijker. Een taal die getrouwd is met de verre achterkleinzoon van een overgrootmoeder die overleed voor je haar ooit hebt gesproken is meestal alleen voor de liefhebbers. En anders kun je ook nog een poging doen tot leren van Hongaars.

Nu is Hongaars niet verwant met talen van de Italo-Keltisc

he, Balto-Slavische, Germaanse of Iraanse, of welke tak dan ook die voortkomt uit de stam van alle Europese talen – het Proto-Indo-Europees. Om een beetje het gevoel te hebben mee te doen aan de Hongaarse maatschappij wil ik het toch proberen. Gewapend met een reiswoordenboekje Nederlands-Hongaars en goede moed neem ik de tram naar Boeda, het rustigere gedeelte van de stad.

UI06VLs
Stamboom van Europese talen door de Finse illustrator Minna Sundberg. De kleinere boom rechts staat voor de Oeraalse talen, waar het Hongaars toe behoort.

De eerste man die ik aanspreek is vermoedelijk vader. Hij duwt een kinderwagen en draagt een windjack. Om de één of andere reden ga ik er op dat moment van uit dat alle mannen met kinderwagens en windjacks aardig en competent zijn.

‘Bocsánat, kérdezhetek valamiet?’

(Betekenis: pardon, mag ik u wat vragen? Overigens ziet deze zin er ongetwijfeld Hongaarser uit dan hij werd uitgesproken.)

Misschien is deze man toch niet zo competent is als zijn kinderwagen doet vermoeden. In zijn bleke gezicht rollen de uitpuilende ogen in hun kassen

.

‘No.’

‘Okay’, zeg ik. Om de afwijzing wat te verzachten glimlach ik er maar bij.

Volgende. Twee mevrouwen lopen me tegemoet, de één iets ouder dan de ander. De rechter heeft pluizig, kastanjebruin haar, het donkerbruin van de linker begint te grijzen. Vraag het nu, vraag het niet. Toe nou.

‘Bocsánat, kérdezhetek valamiet?’, gooi ik mijn florrisante openingszin weer in de strijd.

De jongere vrouw stopt met praten.

’Keshe?’ vraagt ze.

Dat herken ik. In eerdere oefengesprekken heb ik al menig ongemakkelijke situatie doen ontstaan door het woord niet te begrijpen. Nu weet ik dat het iets als ’ja?’ betekent.

’Szupermarket kereshek’, zeg ik.

‘Ah, you’re looking for a supermarket? Come with me, it’s only five minutes.’

Zo verstrijken er vijf onhandige minuten waarin ik en de twee vriendinnen zwijgend naar de supermarkt lopen. De vrouw houdt de deur voor me open: ze moet zelf ook naar binnen. Om mezelf toch een houding te geven koop ik iets dat ik eigenlijk niet nodig heb voor ik naar buiten loop.

Poging drie. Op een straathoek voor een park hang ik wat rond tot ik een geschikt aanspreekpunt heb gespot. Ook weer een oudere dame, ze ziet er aardig uit.

’Jó napot, szupermarket keresek.’

De vrouw kijkt me verbaasd aan.

’Du suchst ein supermarket? Das ist dort.’ Ze wijst naar links.

’Danke schön’, stamel ik.

We begrepen elkaar wel.

Week 1 – Being alone together

Week 1 – Being alone together

The bar is dark and empty. No sweaty bodies pressing against you as you enter, no people jam at a cloakroom and no puddles of beer on the floor. On the brick and plastered walls wires, a guitar, traffic signs and computer screens from the nineties are attached. On the ground floor a disco ball hangs from the ceiling, straight across it a couple of breasts. Szimpla Kert, according to many guide books the ‘mother of ruin bars’ gives the impression as if a thrift shop or flee market exploded inside of it. The beer definitely does

img_5234
Szimpla Kert – The entrance

not have bigger brew heads or is tastier than what you would get in an average bar in Budapest, but it is more expensive all the same. But hey, it still is beer from Szimpla Kert (or just Szimpla, as called by many inhabitants of Budapest).

For us Erasmus students it is the second day in Budapest. We are sitting on Tuesday night with about fifteen people on the first floor of the ruin bar. On the wall behind us a painting of a girl with purple hair and one of a woman holding a skateboard behind her back. We are all students from Europe, but apart from one sole person nobody seems to feel like talking a lot.

The atmosphere and the beer makes people loosen up. ‘Where are you from?’, is to be heard from left and right. Contact details are shared. Soon everybody is friends on Facebook, perhaps even outside of it. You are abroad and alone, so you can’t do without each other.